Hemelboom

Ailanthus altissima


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Hemelboom groeit op zonnige, warme en open plekken op droge, kalkrijke, vaak stenige grond in stedelijke gebieden, in duinbossen, bosjes en op kademuren, op braakliggende grond en langs spoorwegen, langs wegen, kanalen en rivieren. Zij heeft zich recent op vrij veel plaatsen in het Urbaan district en het rivierengebied gevestigd. Hemelboom komt oorspronkelijk uit China. In de achttiende eeuw is deze snelgroeiende boom naar Europa gehaald. In Nederland is ze vaak als straat- en parkboom aangeplant voor schaduw en om de sierwaarde. Als het klimaat warm genoeg is kan hij zich uit zaad vermeerderen. In 1996 werden in Rotterdam de eerste zaailingen gevonden. Daarna ging het snel, de opmars van Hemelboom in onze steden lijkt onstuitbaar. De, zich invasief gedragende plantensoort is ook als kiemplant goed herkenbaar aan haar blad. De ± kale bladeren zijn oneven geveerd, de deelblaadjes zijn aan de voet grof getand en dragen 2 tot 4 klieren die bij kneuzing een sterke, kwalijke geur verspreiden.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - juli

Hoogte - tot 25,00 m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, tweehuizig

Wortels - Vaak met wortelopslag.

Stengels/takken - De bast is glad en grijs, met lengtestrepen.

Bladeren - De 40 tot 60 cm lange bladeren zijn min of meer kaal. Ze zijn oneven geveerd en bestaan uit 9 tot 25 toegespitse eironde tot lancetvormige deelblaadjes. Deze zijn aan de voet grof getand en met 2 tot 4 grote klieren.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Tweehuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten). De groenige of geelachtig witte bloemen zijn 5 tot 8 mm groot. Meestal zijn ze 5-tallig. Ze groeien in grote eindelingse trossen. Mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien vaak op aparte bomen Ze geuren naar Vlier.

Vruchten - Een splitvrucht. De roodbruine nootjes zijn gevleugeld en worden 3 tot 5 cm lang. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme open plaatsen op droge, kalkrijke, vaak stenige grond.

Groeiplaats - Stedelijke gebieden, kademuren, braakliggende grond, zeeduinen (duinbossen), bosjes, op stenige plaatsen langs spoorwegen, langs wegen en langs kanalen en rivieren.
Familie: Simaroubaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: algemene soort
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website