Vlinderstruik

Buddleja davidii


© Edwin Dijkhuis

Ecologie & verspreiding
Vlinderstruik is een pionier van droge, zonnige plekken op matig voedselrijke, stenige grond, grof zand en fijn grind. De soort staat het liefst op stenige plekken, vooral op oude muren, steenglooiingen, verwaarloosde bestratingen, verlaten of weinig gebruikte fabrieks- en spoorwegterreinen, braakliggende terreinen met veel puin en in bermen. Ook groeit zij aan de voet van muren die op het zuiden liggen. De struik kan enige maar geen strenge vorst hebben. Bij ongeveer 15°C vorst kan de plant afsterven. Vlinderstruik is in Nederland vrij algemeen in het stedelijk gebied. Vlinderstruik is eind negentiende eeuw als sierplant uit China naar Europa gehaald en hier veel gekweekt. In Nederland is Vlinderstruik in de veertiger jaren verwilderd en vooral vanaf 1980 heeft de soort zich langs spoorwegen en in de stad sterk uitgebreid.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - oktober

Hoogte - 1,00-2,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De takken zijn kantig en donzig. De takken en de bladeren staan kruisgewijs tegenover elkaar.

Bladeren - De tegenoverstaande bladeren zijn groen of grijsgroen, langwerpig-eirond tot langwerpig, lang toegespitst en ondiep gezaagd. De onderkant is donzig. Aan de voet zitten zeer kleine steunblaadjes. De bladeren hebben een korte steel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen een dichte, aan de voet onderbroken, smalle, pluimvormige bloeiwijze van 20 tot 30 cm lang. De bloemen zijn paars, roze of wit met een oranje ring in de keel. Ze zijn 0,9 tot 1,1 cm lang, trompetvormig en hebben aan het einde 4 brede slippen. Ze verspreiden een zoete geur.

Vruchten - Een doosvrucht. De kleine vruchten splijten bij rijpheid in tweeën. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme plaatsen op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, stenige grond (ook op grof zand en fijn grind). Het meest in stedelijke gebieden.

Groeiplaats - Holten van oude muren (o.a. grachtkanten en verwaarloosde gebouwen), tussen trottoirtegels, tussen straatstenen aan de voet van huizen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen en spoorbermen), zeeduinen (duinstruwelen), klippen, braakliggende grond met veel puin en bermen.
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: muren
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website