Pimpernoot

Staphylea pinnata


© Toon Verrijdt

Ecologie & verspreiding
Pimpernoot staat op zonnige tot licht beschaduwde, warme, matig stikstofarme tot stikstofarme, vochtige, humusrijke, zwak basische tot kalkrijke en matig voedselrijke bodems. Ze groeit in loof- en naaldbossen, in struwelen en in bosranden. De plant hoort thuis in Midden- en Zuid-Europa en is elders plaatselijk aangeplant en verwilderd. In Nederland is ze zeer zeldzaam verwilderd en mogelijk ingeburgerd in Zuid-Limburg. De witachtige, geurige en soms gelige bloemen hangen in pluimen en de kroonbladen zijn vaak roze aangelopen aan de buitenkant, de bladeren hebben wel wat weg van Vlier maar missen de karakteristieke geur daarvan. Bestuiving geschiedt door vliegen, bijen en hommels en de gevormde doosvruchten zijn opgeblazen en papierachtig. Ze bevatten eetbare zaden met een pistachsmaak, zouden potentie verhogend zijn en worden in likeur verwerkt. De naam “Paternosterboom” dankt de plant aan het feit dat van de zaden rozenkransen gemaakt worden. In Brabant gebruikt men de naam “Klootzakkenboom” en dat behoeft geen nadere verklaring.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - tot 5,00 m.

Geslachtsverdeling -

Wortels -

Stengels/takken -

Bladeren - De lang gesteelde, tegenoverstaande bladeren zijn geveerd met 3 tot 7 langwerpig-eironde, 5 tot 10 cm lange, kale, scherp gezaagde deelblaadjes. Aan de onderkant zijn ze blauwgroen. De steunblaadjes vallen af.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Hangende, 5 tot 10 cm lange pluimen, met witachtige of soms gelige, 0,6 tot 1,2 cm grote bloemen. De kroonbladen zijn langwerpig. Er zijn 5 kelk- en kroonbladen, die vrij van elkaar staan, 5 meeldraden, 2 of 3 stijlen en een vruchtbeginsel met 2 of 3 hokken.

Vruchten - De vrijwel ronde doosvruchten zijn vliezig, sterk opgeblazen, 2½ tot 4 cm groot en bevatten veel zaden. Ze zijn 2 tot 3-lobbig, bij rijpheid geelbruin en springen niet open. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde, warme plaatsen op vochthoudende, matig voedselrijke, kalkrijke grond.

Groeiplaats - Bosranden, struwelen en bossen.
Familie: Staphyleaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Zeldzaamheid: zeldzame soort
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website