Kleine pimpernel

Sanguisorba minor subsp. minor


© Hanneke Waller

Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - september

Hoogte - 0,15-0,60 m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels - Een penwortel.

Stengels/takken - De bloeistengels staan rechtop. Polvormend.

Bladeren - De grijsgroene bladeren zijn geveerd. De onderste bladeren met negen  tot soms eenendertig  eivormige deelblaadjes met aan beide kanten vier  tot acht  spitse tanden. De hoogste blaadjes zijn 0,5-2 cm en rond tot eivormig.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). De bolvormige bloemhoofdjes zijn 1-2 cm. De bovenste bloemen hebben roodachtige stijlen, de bloemdekbladen zijn groenachtig en vaak paarsrood aangelopen. Elke bloem bevat tien  tot dertig  hangende meeldraden. Ze zijn drie  tot vijf keer zo lang als de kelkbladen. De bovenste bloemen zijn vrouwelijk, de onderste mannelijk. De helmknoppen zijn geel, maar worden later bruin.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen op min of meer droge, voedselarme tot matig voedselrijke, weinig of niet bemeste, kalkrijke en vaak humusarme grond (mergel, zavel, zandige rivierklei, duinzand en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Zeeduinen (duingrasland en laagblijvend duinstruweel), struwelen, grasland (schraal grasland, kalkgrasland en kalkrijk hellinggrasland), bermen, dijken (rivierdijkgrasland), hoge delen van uiterwaarden, langs spoorwegen (spoorwegterreinen) en rotsachtige plaatsen.
Familie: Rosaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: kalkgraslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website