Bruinvis

Phocoena phocoena


© Norman Deans van Swelm

Ecologie & verspreiding
De bruinvis is de kleinste walvisachtige in Europese wateren. Afgezien van het formaat zijn de ronde kop met stompe snuit, de lage, driehoekige rugvin en de korte, afgeronde borstvinnen karakteristiek, evenals de spatelvormige tandjes. De rug is donkergrijs, de borst- en staartvinnen zijn bijna zwart. De flanken voor de rugvin zijn lichtgrijs, de onderkant is wit. Tussen oog en borstvin loopt een donkere ‘teugelsreep’. Bruinvissen worden hooguit 1,8 m lang en wegen tot circa 55 kg (vrouwtjes soms meer). Mannetjes zijn wat kleiner dan vrouwtjes. Kalfjes meten 70-80 cm bij de geboorte. De meeste jongen worden in de zomer geboren en zijn met 4-5 jaar seksueel volwassen. De vrouwtjes krijgen elk jaar of om het jaar een jong, dat zeker tot in december van de moeder afhankelijk blijft.Bruinvissen zwemmen alleen, getweeën – vaak moeder en kalf – of in kleine groepjes, die zich op voedselrijke plaatsen soms aaneensluiten tot grotere verbanden. Meestal komen ze met een rollende beweging aan de oppervlakte om adem te halen, waarbij soms een kort, snuffend geluid is te horen. Dit wordt een- of enkele malen herhaald, waarna het dier meestal enkele minuten onder water blijft. Bruinvissen vermijden motorschepen zo veel mogelijk. Voor schepen wegvluchtende bruinvissen komen met korte, rukkende bewegingen boven, waarbij slierten water opzij en naar voren spatten (‘pop-splashing’); het dier zelf is daarbij haast niet te zien. Bruinvissen springen zelden uit het water omhoog, waarbij ze bovendien niet altijd los komen van het oppervlak.
Familie: Phocoenidae
Groep: Walvisachtigen
Status: Rode lijst (2009): Kwetsbaar
Zeldzaamheid: zeldzaam
© 2019  NDFF
Ga naar de volledige website