Geknikte vossenstaart

Alopecurus geniculatus


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Geknikte vossenstaart is een voorzomerbloeier op voedselrijke, lagere delen van beweide graslanden die bij voorkeur in de winter nat zijn. Daarbij heeft de soort baat bij natte perioden in de winter,maar verdraagt geen langdurige overstroming. In de verspreiding is de soort na 1950 geholpen door meer bemesting en komt inmiddels in heel Nederland voor, met uitzondering van enkele plaatsen op de Veluwe. De Geknikte vossenstaart is een laag tot middelhoog gras met blauwgrijze aren, die tijdens de bloei naar bruin verkleuren. De soort ontleent de naam aan de paars-rode knievormige knopen. Geknikte vossenstaart komt als begeleider voor in de associatie van Borstelbies en Moerasmuur (nat grasland) en is daarin tegenwoordig als pionier afhankelijk graafwerk.Geknikte vossenstaart komt samen voor met Fioringras en Ruw beemdgras en kan in de groeiwijze op Fioringras lijken.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,15-0,45 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot 50 cm.

Stengels/takken - De aan de voet liggende stengels zijn geknikt opstijgend. Soms drijven ze in het water. Ze wortelen op de vaak paarsrode knopen. Het onderste stengeldeel is vaak vertakt (matten vormend). De stengelvoet is soms min of meer verdikt.

Bladeren - De grijsgroene bladen zijn 2-8 mm breed. Het tongetje is 2-5 mm en in het midden veel hoger dan aan de randen. De bladscheden zijn iets opgeblazen. De ribben op de bovenkant van de bladen zitten dicht bij elkaar en springen sterk uit (scherp driehoekig).

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloeiwijze is 3-7 mm breed. De aartjes zijn 2½-3½ mm lang. De 1½-2 mm lange helmknoppen zijn wit, paars of lichtgeel en worden later bruin. De naald van het onderste kroonkafje is onder het midden aangehecht.

Vruchten - Een graanvrucht. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, open tot grazige, vaak verstoorde plaatsen op natte (vaak wisselende waterstanden), voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond (klei, leem, zand, löss, veen en stenige plaatsen). Ook in brak milieu en in ondiep water.

Groeiplaats - Grasland (weiland, uiterwaarden, boezemland en slecht ontwaterd hooiland), waterkanten (o.a. langs vervuilde vennen), greppels, braakliggende grond, drooggevallen plassen, vertrapte plekken bij de ingang van weilanden, zeeduinen, kale (lemige) zandvlakten, langs paden en soms tussen straatstenen.
Familie: Poaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: storingsmilieus
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website