Bernagie

Borago officinalis


© Hanneke Waller

Ecologie & verspreiding
Bernagie staat op open, zonnige en warme, vochtige en voedselrijke, vaak omgewerkte zand- en zavelgrond, op lichte klei en op stenige plaatsen. Ze groeit in akkers en ruigten, op omgewerkte en braakliggende grond, op ruderale plaatsen en puinhopen, in tuinen en op vuilstorten, in bermen en op spoorwegterreinen. De soort stamt oorspronkelijk uit Zuid-Europa, maar is tegenwoordig in meerdere landen van Europa ingeburgerd. In Nederland is de plant verwilderd uit tuinen, maar wordt ook op grote schaal aangeplant voor de oliehoudende zaden. Ze wordt veel gekweekt als toekruid en als bijenbloem. Bestuiving geschiedt door bijen en hommels, de van een mierenbroodje voorziene zaden worden door deze dieren versleept. Bernagie wordt verwerkt in salades en andere gerechten, is rijk aan zink, vitamine B6, magnesium en biotine en wordt dan ook gebruikt in voedingssupplementen. Vroeger werd de plant medicinaal gebruikt voor uiteenlopende kwalen zoals jicht, hoest, reuma en neerslachtigheid. Ook gebruikt als urineafdrijvend middel en als ontstekingsremmer.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - herfst

Hoogte - 0,20-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een penwortel.

Stengels/takken - De rechtopstaande, stijve en dikke stengels zijn afstaand borstelachtig behaard en al of niet vertakt.

Bladeren - De meestal eironde, in de gevleugelde bladsteel versmalde wortelbladen vormen eerst een rozet. De bladrand is gegolfd. De zittende stengelbladen zijn kleiner en meer langwerpig tot lancetvormig. De bovenste bladeren zijn stengelomvattend. Alle bladen zijn afstaand behaard.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De half-knikkende, 1,5-3 cm grote bloemen staan schermachtig bijeen (bebladerde schichten). Ze hebben een stervormig gedeelde kroon met afstaande, eironde, spitse slippen en een duidelijke kegel van paarszwarte meeldraden. Ze zijn helder blauw (zelden roze of wit) met een wit centrum (witte keelschubben). De helmknoppen zijn donker. De kelkslippen zijn lijn-lancetvormig, ongeveer even lang als de bloemkroon en na de bloei samenneigend. De dikke bloemstelen zijn omgebogen.

Vruchten - Een splitvrucht. De vrucht bevat vier bruinig zwarte zaden. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen op vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte grond (zand, zavel, lichte klei en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Akkers, ruigten, ruderale plaatsen, puinhopen, bermen, omgewerkte grond, tuinen, braakliggende grond, vuilstorten en langs spoorwegen (spoorwegterreinen).
Familie: Boraginaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Zeldzaamheid: algemene soort
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website