Valse voszegge

Carex otrubae


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Valse voszegge is vooral te vinden op de klei. Ze ontbreekt op de zandgronden van Drenthe en Oost-Overijssel, evenals op de Veluwe. Op de klei komen we haar evenwel overal tegen, b.v. op slootkanten, in wegbermen, dikwijls op min of meer ruderale plekken, zoals stadsplantsoentjes, aan de voet van (zee)dijken etc. Ze is eveneens te vinden op brakke gronden. Valse voszegge groeit in fraaie pollen, evenals dubbelganger Voszegge (Carex vulpina). Eerstgenoemde is echter vele malen algemener. Voszegge heeft een iets donkerder bloeiwijze, terwijl het tongetje vrij stomp driehoekig is, soms bijna een hoek van 180 graden makend. Kenmerkend voor Voszegge is tevens dat de bladscheden witvliezig gerand zijn, vooral bij jong materiaal. Valse voszegge heeft een lang en scherp driehoekig tongetje, de bloeiwijze is lichtbruin gekleurd en de vliezig gerande bladscheden ontbreken. Voszegge bloeit ook iets eerder en is volwassen vaak wat forser en voller. Ze komen zelden samen voor.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,30-0,60(-0,90) m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels -

Stengels/takken - Stengels met tot een ½ cm brede, zeer scherp driekantige, iets gevleugelde ribben en vrijwel vlakke zijden. De onderste scheden zijn lichtbruin, die niet of maar weinig gaan vezelen. Valse voszegge vormt dichte pollen.

Bladeren - Meestal zijn de bladeren niet meer dan 7 mm breed. Ze hebben een iets geoorde voet.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). De bloeiwijze is smal, nauwelijks piramidevormig en in de onderste helft meestal onderbroken. Verder is de bloeiwijze bronsgroen tot lichtbruin en heeft 5 tot 10 zeer korte, voor een deel vertakte zijassen en priemvormige, zwak geoorde schutbladen, die vaak vrij ver buiten de bloeiwijze uitsteken. De aren zijn eivormig. Onderaan zitten de vrouwelijke bloemen en bovenaan de mannelijke. De bloemen hebben 2 stempels.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De urntjes staan wijd uit. Ze zijn platbol, eirond, 5 tot 6 mm lang, glanzend lichtgroen tot lichtbruin en wat leerachtig. Op de rug zijn ze niet diep gegroefd. De snavel is meestal aan beide kanten even diep ingesneden. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, soms half beschaduwde, meestal verstoorde plaatsen op natte of soms vochtige, voedselrijke, zoete tot brakke, kalkrijke, liefst zware grond (klei, maar ook wel op leem, zand of veen).

Groeiplaats - Grasland (weiland met een sterk reliëf, brak grasland en boezemland), bermen, dijken, waterkanten (sloten, greppels, kreken, kanalen, plassen en beschaduwde slootkanten), moerassen, afgravingen (kleiputten), zeeduinen (duinvalleien), bossen (langs bospaden) en struwelen in tichelgaten.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: storingsmilieus
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website