Herfsttijloos

Colchicum autumnale


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Herfsttijloos staat op zonnige tot beschaduwde, voedselrijke (maar niet te veel bemeste), vochtige tot vrij natte, meestal kalkhoudende, humeuze leem-, zavel-, klei- en mergelgrond, in vloeiweiden ook op zand. Ze groeit in loof- en naaldbossen, in bosranden en struwelen, in hooi- en graslanden, op kalkhellingen en in vloeiweiden, in beekdalgraslanden en uiterwaarden, op bronhellingen en rivierdijken. Nederland ligt aan de noordwest grens van het Europese verspreidingsgebied. De plant is vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en zeer zeldzaam in Midden- en Noord-Limburg, Noord-Brabant, het rivierengebied en in het oosten van het land en wordt soms aangeplant. De soort is achteruit gegaan door de toegenomen eutrofiëring. Herfsttijloos wordt door insecten bestoven, de gevormde zaden worden door de wind of mieren verspreid. De plant is zeer giftig door het alkaloïd colchicine dat een normale celdeling belemmerd. Colchicine wordt als medicijn gebruikt bij jicht, reuma en kanker, ook kwekers maken er gebruik bij het “veredelen” van planten.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - september - november

Hoogte - 0,08-0,25(-0,40) m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een knol.

Stengels/takken - Een korte, rechtopstaande vruchtstengel.

Bladeren - Een korte, rechtopstaande vruchtstengel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zijn roze, 4-6 cm, bekervormig en krokusachtig met gele meeldraden en witte stijlen. Ze staan met één  tot zes  bij elkaar. Ze hebben een witachtige, buisvormige bloeischede. Bloemen met  zes  meeldraden en drie  stijlen. Elke stijl heeft een haakvormig gekromde, paarse stempel.

Vruchten - Een doosvrucht. De grote vruchten zijn eivormig, groen en staan op een korte steel tussen de bladeren. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, humeuze, vaak licht bemeste en meestal kalkhoudende grond (leem, zavel, klei en mergel).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen), bosranden, struwelen, zeeduinen (duinbossen en struwelen), grasland (kalkhellingen, vloeiweiden, hooiland, beekdalgrasland en uiterwaarden), rivierdijken en bronhellingen.
Familie: Colchicaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Kwetsbaar
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: natte, bemeste graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website