Bergbasterdwederik

Epilobium montanum


© Adrie van Heerden

Ecologie & verspreiding
Bergbasterdwederik is een overblijvende plant van enigszins beschaduwde, vochtige, voedselrijke humeuze grond. Ze groeit langs paden en randen van bossen en in schaduwrijke tuinen, parken, begraafplaatsen en tussen struikgewas in plantsoenen. In het stedelijk gebied groeit Bergbasterdwederik ook langs gevels, in rommelige steegjes en soms op muren. Bergbasterdwederik is in Nederland vrij algemeen. In het Noordoosten, waar ze van oudsher zeldzamer was, is ze sinds 1980 toegenomen. Ook elders in Nederland is sprake van een toename. Basterdwederikken zijn lastig van elkaar te onderscheiden. Kenmerkend voor Bergbasterdwederik zijn de verhoudingsgewijs grote bloemen, de relatief brede bladeren met een afgeronde tot hartvormige voet en een stempel met vier kruisvormig uitstaande lobben. In tegenstelling tot wat in ‘Heukels, flora van Nederland’ wordt vermeld, draagt de bloeiwijze-as bovenin vaak klierharen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,10-0,80 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een wortelstok met uitlopers, die in overwinteringsknoppen eindigen en die vaak tot vlak boven de grond uitgroeien en daar groen worden. Worteldiepte tot 10 cm.

Stengels/takken - De rolronde stengels zijn lichtgroen, maar op zonnige plaatsen vaak rood aangelopen. Ze hebben geen lijsten en zijn zwak behaard (met afstaande klierharen). De stengel is niet vertakt of alleen bovenaan een beetje vertakt.

Bladeren - De 4-7 cm lange en 1,5-3,5 cm brede, eironde tot langwerpige bladen hebben een afgeronde of zwak hartvormige voet, een onregelmatig getande rand (soms ongetand) en een zeer korte steel. De stengelbladen zijn tegenoverstaand, maar de schutbladen (bovenaan) staan verspreid.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloeiwijze-as met korte, gekromde haren en (vrijwel) zonder klierharen. Voor de bloei hangt de top van bloeiwijze (een ijle tros) voorover. De bloemen zijn 0,6-1,2 cm in doorsnede. De lichtroze of zelden witte kroonbladen zijn uitgerand. De stempel heeft vier kruisvormig uitstaande lobben. De kelk is afstaand klierachtig behaard.

Vruchten - Een doosvrucht. De vrucht is afstaand klierachtig behaard. Zaad met vruchtpluis. De zaden zijn langlevend (langer dan 5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Meestal licht beschaduwde, open plaatsen op vrij vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, meestal zwak zure, maar soms kalkrijkere grond (zand, leem, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Waterkanten (slootkanten), omgewerkte grond (o.a. in tuinen), braakliggende grond, oude muren, bossen (loofbossen), kapvlakten, heggen, struwelen, hakhout, bosranden, langs beschaduwde wegen, in holle bomen, op boomstammen, plantsoenen, langs spoorwegen, haventerreinen, bouwterreinen, afwateringsgoten en zeeduinen (laag duinstruweel en duinvalleien).
Familie: Onagraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website