Klein springzaad

Impatiens parviflora


© Edwin Dijkhuis

Ecologie & verspreiding
Klein springzaad groeit op enigszins beschaduwde plekken op vochtige, matig voedselrijke, zwak zure zand- en veengrond in loofbossen, beekbegeleidende bossen, bosranden, heggen, houtwallen, parken, plantsoenen, bermen, langs holle wegen, tuinen, omgewerkte grond, aan de voet van muren, enigszins ruderale plekken, langs spoorwegen, ruigten, kustduinen en in rietkragen langs plassen en kanalen. In Nederland is de plant algemeen in het Zuidoostelijke deel van de Veluwe, het kalkrijke kustgebied en in het stedelijk gebied. Elders in Nederland zij zeldzaam. Klein springzaad begon de opmars in Europa vanuit botanische tuinen en landgoederen, waar zij was aangeplant, verwilderde en inburgerde. Doordat het zaad via actieve bosbouw verspreid wordt kon de soort zich op diverse plekken vestigen. Klein springzaad is oorspronkelijk afkomstig uit zuidelijk Midden-Azië, vermoedelijk uit Mongolië.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - oktober

Hoogte - 0,20-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De kale stengels zijn al of niet vertakt.

Bladeren - De verspreid staande bladeren zijn langwerpig tot eirond, spits en scherp gezaagd. Ze hebben knotsvormige klieren aan beide kanten van de voet van de bladsteel. De bovenste bladeren zijn groter dan de onderste.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De rechte bloemtrossen staan schuin omhoog en bevatten vier  tot tien  bloemen. De bloemen zijn lichtgeel en hebben geen vlekken. Ze zijn met de spoor 0,6-1,8 cm. Ze staan rechtop en steken boven de bladeren uit. De spoor is vrijwel recht en kort trechtervormig.

Vruchten - Een doosvrucht. De 0,5-2 cm lange vruchten zijn cilindervormig. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Half beschaduwde tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, zwak zure grond (zand en veen).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen en beekbegeleidende bossen), bosranden, heggen, houtwallen (voedselrijke zomen), parken, langs holle wegen, tuinen, omgewerkte grond, bij houtzagerijen, aan de voet van muren, enigszins ruderale plaatsen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), ruigten, bij houtransportbedrijven, stortterreinen, zeeduinen en waterkanten (rietkragen langs plassen en kanalen).
Familie: Balsaminaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2020  FLORON
Ga naar de volledige website