Dwergrus

Juncus pygmaeus


© Bert Blok

Ecologie & verspreiding
Dwergrus staat op open, zonnige en warme, natte en basenrijke, voedsel- en vooral fosforarme, zwak zure, kalkarme tot kalkloze zand- en leembodems op plekken die een groot deel van het jaar onder water staan, maar in de zomer droogvallen. Ze groeit op de bodems van droogvallende vennen en plassen, op plagplekken, op ijsbaantjes en langs duinplassen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal dat onder andere het kustgebied van West-Europa omvat. De plant is zeer zeldzaam in de duinen van Terschelling en Vlieland en bij Schoorl, in de Achterhoek en in Noord-Brabant. De eenjarige, kleine en pionierende soort is sterk achteruitgegaan door ontginning en ontwatering maar vooral door de sterk toegenomen bemesting. Dwergrus groeit meestal in polletjes met rechtop tot iets schuin afstaande stengels. De bladeren hebben een overlangse holte die door, van buiten nauwelijks zichtbare dwarsschotjes in kamertjes is verdeeld en de onderste, open bladschede draagt witvliezige oortjes.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,02-0,10 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande tot schuin afstaande stengels zijn lichtgroen of iets rood, weinig vertakt en aan de voet niet verdikt. Meestal groeit de soort in polletjes, maar soms is er maar 1 stengel.

Bladeren - De bladen zijn zwak gootvormig en door dwarsschotjes (die van buiten nauwelijks zichtbaar zijn) in kamertjes verdeeld. De stengels zijn alleen in de onderste helft van de stengel of vaak alleen maar aan de voet bebladerd.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Een bloemscherm met één  tot vijf, zelden tot negen, zittende tot langgesteelde hoofdjes met aan de voet enkele schutbladen. Het onderste schutblad is ongeveer even lang als de langste schermtakken. De hoofdjes zijn half-bolrond met rechtopstaande en afstaande, langwerpige tot ruim 0,5 cm lange bloemen. De bloemdekbladen zijn lijnvormig tot langwerpig met een smal vliezig randje en een stompe tot vrij spitse top. De bloemen hebben drie  tot zes  meeldraden en geen stijl.

Vruchten - Een doosvrucht. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen (pionier) op natte, voedselarme, met name fosforarme, zwak zure, kalkarme grond (zand en leem). Plekken die een groot deel van het jaar onder water staan, maar in de zomer droogvallen.

Groeiplaats - Heide (op droogvallende bodems van vennen en plagplekken), waterkanten (o.a. poelen), zeeduinen (langs duinplassen) en ijsbaantjes.
Familie: Juncaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: pionier op matig voedselarme, vochtige grond
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website