Kleine leeuwentand

Leontodon saxatilis


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Kleine leeuwentand groeit op open plekken op vochtige tot droge matig voedselrijke grond. Hij is in ons land een algemene soort. Sommige delen van Flevoland heeft hij echter nog niet bereikt. Ook in grote delen van Groningen en Drenthe is hij minder algemeen. Voor de periode voor 1950 geldt dat hij bekend is uit 979 atlasblokken, in 1950-1980 uit 1003 atlasblokken en na 1980 uit 1352 atlasblokken, zodat kan worden gesproken van vooruitgang. Die vooruitgang is vooral te danken aan een toename in het noordoosten van het land. Kleine leeuwentand wordt nogal eens verward met de Ruige leeuwentand, die boven de grote rivieren echter niet of nauwelijks voorkomt. Een duidelijk verschil is de donkere rand in de vorm van een gotisch raam op de buitenkant van de kale omwindselblaadjes van het hoofdje bij Kleine leeuwentand.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - november

Hoogte - 0,05-0,25 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een korte wortelstok die vaak meer koppen heeft waardoor soms dicht opeengedrongen bundels van rozetten ontstaan.

Stengels/takken - De stengels zijn niet vertakt en dragen geen bladeren. Vaak zijn ze boogvormig opstijgend en oonder de hoofdjes nauwelijks verdikt. Ze kunnen zowel behaard als vrijwel kaal zijn.

Bladeren - De behaarde bladeren zijn smal langwerpig met de grootste breedte boven het midden. Ze zij gaafrandig tot veerspletig.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De gele, alleenstaande bloemhoofdjes zijn 1,2-2 cm en knikken voordat ze gaan bloeien. De buitenste lintbloemen hebben aan de onderkant een groenige tot blauwgrijze hoogtestreep. Het omwindsel is urnvormig en bestaat uit een rij bootvormige, zwartgerande blaadjes en enkele zeer kleine priemvormige buitenomwindselblaadjes.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De randzaden zijn gekromd, niet gesnaveld en hebben vruchtpluis van schubben. De andere zaden zijn vrij recht en hebben een tot ongeveer 1 mm lange snavel. Het vruchtpluis bestaat uit twee  rijen haren: een buitenste rij van een klein aantal aan de voet verbrede haren en een binnenste rij van geveerde haren. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, vrij open plaatsen op droge tot vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke, min of meer verdichte, neutrale (zwak zure tot kalkrijke) grond. De plant verdraagt enig zout (zand, leem, zavel, lichte klei en stenige plaatsen, zelden op veen).

Groeiplaats - Bermen ('s winters gepekelde wegen en langs zandwegen), dijken, zeeduinen (duinhellingen, duinvalleien en laag blijvend duingrasland), grasland (grasvelden, glooiingen in reliëfrijk, weiland, ook iets zilt en overgangen van moeras naar grasland), afgravingen (leem-, zand- en kleigroeven), opgespoten grond (kalkrijk zand), ijsbaantjes, heide (leemkuilen), waterkanten (slootkanten in veenweidegebied) en tussen straatstenen.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: droge, neutrale graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website