Kleine keverorchis

Neottia cordata


© Cees van Roozendaal

Ecologie & verspreiding
Kleine keverorchis staat op vochtige, voedselarme, stikstofarme, zure grond, waar een hoge luchtvochtigheid heerst. Mondiaal gezien groeit ze in voedselarme moerassen en moerasbossen, in alpenweilanden en drassige heiden, in loof- en naaldbossen, in struwelen en gemengd bos en verder in duinvalleien. De plant komt voor in de koude en gematigde streken van het Noordelijk Halfrond, vooral in bergstreken. De soort is zeer zeldzaam op de Waddeneilanden, hoewel plaatselijk algemeen en komt slechts heel sporadisch daarbuiten voor. In Nederland staat ze op lemig of anderszins relatief mineraalrijk zand en is gekoppeld aan een beperkte fase in de successie van naald- naar loofbos. Ze wortelt pas in de aanwezige humuslaag als de naalden zo’n 25 jaar gerijpt zijn. Deze Keverorchis verspreidt een rottingsgeur en wordt vooral door paddenstoelmuggen bestoven. Zaden wordt door wind verspreid en uitlopers zorgen ervoor dat ze vaak groepsgewijs geordend staan. Ze is pas in 1949 in Nederland aangetroffen ondanks een veel vroegere vermelding.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,04-0,20 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een dunne wortelstok.Worteldiepte tot 20 cm.

Stengels/takken - De stengels staan rechtop en vaak purperbruin. Bovenaan zijn ze iets behaard en met één of twee bruinachtige scheden aan de voet. In groepen groeiend.

Bladeren - De twee  tegenoverstaande of heel soms van elkaar verwijderd staande stengelbladeren zijn driehoekig-eirond en 1-2½ cm. Verder zijn ze teer en glanzig donkergroen. Soms is er hogerop nog een derde blad.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De zes  tot twaalf  bloemen vormen korte aarvormige trossen met kleine schutbladen. Ze zijn bruinachtig (soms roodachtig)-groen. De bloemdekbladen zijn 2-2½ mm. De paarsachtige bloemlip is 3½-4½ mm. De lip tweelobbig, zonder  spoor en met aan de voet twee  zijslipjes. De andere bloemdekbladen staan half af. De plant verspreidt een rottingsgeur.

Vruchten - Een doosvrucht. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Beschaduwde plaatsen op vrij droge tot vochtige, voedselarme, zure zandgrond.

Groeiplaats - Bossen (mosrijke naaldbossen, dennenaanplant en soms onder zomereiken of beuken) en zeeduinen (kruipwilgstruweel in duinvalleien).
Familie: Orchidaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Gevoelig
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: bossen op droge, zure grond
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website