Vogelnestje

Neottia nidus-avis


© Edwin de Weerd

Ecologie & verspreiding
Vogelnestje (vroeger bekend als Vogelnestorchis) komt voor in plantengemeenschappen van kalkhoudende eiken- en beukenbossen (klasse Querco-Fagetea). In de omringende landen is dit vooral beukenbos, maar in Nederland in Zuid-Limburg loofbos van Zomereik en Haagbeuk. Daarnaast komt Vogelnestje voor op kalkhoudende grond in de duinen (op de kalkgrens bij Bergen) en in de Achterhoek. In het verleden kwam de soort ook voor bij Wassenaar, in Twente en in Noord-Brabant. Vogelnestje leeft op schaduwrijke plaatsen, maar de strooisellaag mag niet te dik zijn. Veroudering van de bossen is in het nadeel van de soort. Vogelnestje heeft geen bladgroen en leeft mycotroof: het is afhankelijk van schimmels in de grond die op hun beurt ectomycorrhiza vormen met bomen en eik en beuk hebben het grootste aantal mycorrhiza partners. De plant is niet afhankelijk van bestuiving. De bloemen kunnen ondergronds tot vruchtzetting komen (kleistogame bloei). Daarnaast is vermeerdering mogelijk door knoppen aan de wortels.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,20-0,45 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - De wortelstok is kort met vele dikke, vlezige, "vogelnestachtig"gerangschikte wortels en soms ook met knopvorming.

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn vrij dik, geelwit tot bruin, kaal of naar boven toe beklierd.

Bladeren - De bladeren zijn schubvormig. Ze hebben geen bladgroen.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De vele bloemen vormen samen een aarvormige tros. De onderste bloemen staan vrij ver uiteen. Ze zijn geelbruin of soms geel- of witachtig. De lip is 0,8 tot 1,2 cm groot, vaak grijsbruin, 2-lobbig met uiteenwijkende lobben en niet gespoord. De bloemdekbladen zijn 4 tot 6 mm lang en helmvormig samengebogen.

Vruchten - Een doosvrucht. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Beschaduwde plaatsen op vochtige, voedselarme, neutrale tot basische, kalkhoudende, humeuze grond met een niet te dikke strooisellaag en een niet te dichte ondergroei. Groeiend op rottend hout (mergel, leem, zavel en duinzand).

Groeiplaats - Bossen (kalkrijke loofbossen en naaldbossen en langs bospaden), zeeduinen, grasland (beschaduwd weiland) en afgravingen (op wanden van kuilen waar mergel of leem gedolven is).
Familie: Orchidaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Ernstig bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke bossen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website