Zwartblauwe rapunzel

Phyteuma spicatum subsp. nigrum


© Jelle Hofstra

Ecologie & verspreiding
Zwartblauwe rapunzel is een langlevende voorzomerbloeier die overwintert met een raapvormig verdikte primaire wortel. Ze groeit bij voorkeur op basische tot zwak zure,vochtige, niet permanent natte, bodems. Zwartblauwe rapunzel heeft een zekere lichtbehoefte en groeit op relatief lichte plekken aan bosranden en langs bospaden en watergangen. Ook komt ze in beekdalhooilanden voor, op plaatsen die onder invloed staan van basenrijke kwel. De Nederlandse groeiplaatsen liggen aan de uiterste noordwestgrens van een areaal dat alleen het centrale deel van Europa omvat. De soort is de laatste decennia sterk achteruitgegaan en staat daarom op de Rode Lijst. De oorzaken van de achteruitgang zijn verruiging van de groeiplaatsen, vaak in combinatie met het achterwege blijven van beheer. In Drenthe is geconstateerd dat ook verzuring en vernatting van de bovengrond een rol speelt in de achteruitgang.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,20-0,80 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot 50 cm.

Stengels/takken - Van de rechtopstaande stengels is het bovenste deel niet bebladerd.

Bladeren - De bladeren zijn kaal. De wortelbladeren zijn meestal langer en smaller dan die van Witte rapunzel. Ze zijn eirond tot langwerpig en hebben een afgeronde, wigvormige of hartvormige voet. De middelste stengelbladeren zijn langwerpig, hebben meestal een wigvormige voet en de bladrand is meestal gekarteld, maar wel zwakker dan bij Witte rapunzel. Soms zitten op de rozetbladeren zwarte vlekken.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemaar is eerst vaak bolvormig, maar later vaak cylindervormig. De bloemen zijn donker paarsblauw, soms blauw of heel zelden wit. De bloemkroon is in het knopstadium gekromd. De stempel is meestal drielobbig. De omwindselbladen zijn lijnvormig en korter dan het hoofdje.

Vruchten - Een doosvrucht. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Licht beschaduwde, soms zonnige plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, humeuze grond (leem, zand en mergel).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen, beekbegeleidende bossen en langs bospaden in hellingbossen), grasland (greppelkanten, hooiland, beekdalgrasland, hellinggrasland) en bergweiden), bermen en waterkanten (slootkanten en langs beken).
Familie: Campanulaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: natte bossen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website