Hertshoornweegbree

Plantago coronopus


© Bert Verbruggen

Ecologie & verspreiding
Hertshoornweegbree groeit op zonnige, open, vochtige tot soms droge, matig voedselarme tot voedselrijke, meestal zilte en verdichte, vaak kalkhoudende grond in het kustgebied, op groene stranden, hoge schorren en kwelders, zeedijken, in droog grasland en op betreden plaatsen. Zij komt algemeen voor in getijdengebieden en vrij algemeen in de duingebieden en het Deltagebied. Daarnaast komt de plant in het binnenland plaatselijk algemeen voor langs gepekelde wegen. De plant verdraagt veel zout en doet het goed op bodems die afwisselend met water verzadigd zijn en uitdrogen. Hertshoornweegbree verdraagt betreding met mate. Hertshoornweegbree is kensoort van de Zeevetmuur-klasse, die de pionierplantengemeenschappen omvat die voorkomen op de grens van zout/nat en zoet/droog in het kustgebied. Langs een deel van de rand van de voormalige brakke Zuiderzee is Hertshoornweegbree wel verdwenen als gevolg van de verzoeting van het huidige IJsselmeer/Markermeer (voorheen Zuiderzee). De afgelopen decennia nam de plant daarentegen in het binnenland toe langs gepekelde wegen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,05-0,30 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De stengels zijn vrij kaal tot vrij sterk behaard. De aarstelen zijn rond en staan meestal wijd boogvormig uit.

Bladeren - De bladeren staan recht opzij tot schuin omhoog. Ze zijn lijnvormig en met één  duidelijke nerf, maar de grote bladeren hebben een veervormige nervatuur. Vaak hebben ze langwerpige, naar de voet versmalde zijslippen, die zelf weer zeer kleine aanhangseltjes kunnen heben. Ze zijn dan veerspletig. De schutblaadjes zijn eirond en aan de top priemvormig samengetrokken. Dit is een verschil met de andere soorten weegbree.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De aren knikken voor de bloei. Ze zijn zelden langer dan een ½ dm. Van de vier  kelkslippen zijn de bovenste twee  gekield. Ze hebben op de kiel een vliezig, gewimperd vleugelrandje. De bloemen zijn 3 mm. Ze hebben een behaarde buis en bleek strokleurige, doorzichtige slippen. De meeldraden zijn dof lichtgeel.

Vruchten - Een doosvrucht. De vruchten zijn eivormig en bevatten hoogstens vijf  zaden. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen (pioniervegetatie) op vochtige tot soms droge, matig voedselarme tot voedselrijke, meestal zilte en verdichte, vaak kalkhoudende grond (zand en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Groene stranden, hoge kwelders (schorren), grasland (droog grasland en mestplekken), betreden plaatsen, gepekelde bermen, tussen straatstenen, konijnenkrabplaatsen, veepaadjes, mierenbulten, voegen van zeedijken, zeeduinen (langs duinpaden en duinvalleien) en waterkanten (langs kreken en brakke, steile slootkanten).
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: hoge kwelders
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website