Egelantier

Rosa rubiginosa


© Jan Klinckenberg

Ecologie & verspreiding
Egelantier en andere soorten uit de Egelantiergroep (Rosa Subsec. Rubigineae), laten zich herkennen aan een zeer sterk beklierd blad, dat bij wrijven naar appeltjes ruikt en dat kaal of licht behaard kan zijn. De bekliering is altijd opvallender dan de beharing. De kliertjes op de onderzijde van de blaadjes zijn kort gesteeld. De beharing is meestal duidelijker op de middennerf en spaarzamer op de rest van het blaadje. De deelblaadjes hebben een brede, min of meer afgeronde basis. De Egelantiergroep bloeit vrij laat, meestal pas in juni. Egelantier laat zich van de algemenere Schijnegelantier (Rosa x gremlii) en de zeldzamere Kleinbloemige roos (Rosa micrantha) onderscheiden door de vrij grote bottels met lang blijvende, opgerichte kelkbladen, een stijlkanaal met een diameter van 1,2 tot 2,5 mm en viltig behaarde stijlen van het hoedtype. 
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - augustus

Hoogte - 0,60-3,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande takken hebben brede haakvormig gekromde stekels en soms ook naaldvormige stekels.

Bladeren - De bladeren zijn vijf- of zeventallig met vrij kleine eironde, enkel of dubbel gezaagde deelblaadjes, die aan de bovenkant glanzend en van onderen dicht bezet met klieren zijn. Bij wrijven verspreiden ze een zoetzure appelgeur. De bladrand is enkel of dubbel gezaagd.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zijn helder roze met een bijna witte nagel. De bloemen zijn zo’n 3-4 cm in doorsnede. De bloemsteel is korter dan de bottel, zo’n 1-1,5 cm lang en beklierd. De kelkbladen zijn onderaan zeer sterk roodbeklierd. 

Vruchten - Een vlezige schijnvrucht. De eivormige bottel is meestal met gesteelde klieren bezet. De beklierde bottelsteel is 1-1,5 cm lang en korter dan de bottel. De kelkbladen zijn rechtopstaand tot afstaand en lang blijvend. Het is geen uitzondering dat er zelfs na de winter nog enkele bottels aangetroffen worden waarop de kelkbladen nog altijd aanwezig zijn. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke grond (zand, mergel, leem, klei en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Hagen, struwelen, bosranden, zeeduinen (duinstruweel), grindstranden, bermen, hoge zandige uiterwaarden en kalkhellingen.
Familie: Rosaceae
Groep: Vaatplanten
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: struwelen
© 2026  FLORON
Ga naar de volledige website