Rimpelroos

Rosa rugosa


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Rimpelroos (Rosa rugosa) is een struik waarvan de takken volledig vol staan met dunne, rechte, dicht opeen staande stekels van ongelijke lengte. Door de diepgenerfde bovenzijde en de grijzige, behaarde onderzijde van de bladeren van Rimpelroos zijn vrij gemakkelijk andere rozen te onderscheiden. Lastiger is het onderscheid met Hollandse rimpelroos (Rosa 'Hollandica'), die ook gelijkende stekels, bladeren en bottels heeft. Hollandse rimpelroos heeft gladdere, lichtergroene deelblaadjes en meer beklierde bottels die op een rechtere steel staan. In België en Nederland is Rimpelroos een exoot die makkelijk verwildert uit aanplantingen. Rimpelroos is vooral in de duinen algemener, maar kan ook op andere (kalkrijkere) goed doorlatende bodems in enige hoeveelheid bijeen groeien. Rimpelroos groeit in heggen, struwelen, bosranden, ruigtes en bermen. Rimpelroos werd veel aangeplant in perken in de bebouwde kom en ook wel langs (snel-)wegen. In de duinen is Rimpelroos relatief problematisch omdat deze goed bestand tegen wind en zout en zich via de wortelstokken makkelijk uitbreidt tot flinke horsten of zelfs hele struwelen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - herfst

Hoogte - 1,00-2,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Met veel wortelopslag.

Stengels/takken - De takken zijn viltig, met dunne, rechte, dicht opeenstaande stekels van ongelijke lengte.

Bladeren - De bladeren zijn 5- tot 9-tallig. De deelblaadjes zijn rondachtig, van onderen dicht behaard, enkel gezaagd en de nerven zijn vrij diep ingekerfd.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zijn 4 tot 7 cm in doorsnee. De kroonbladen zijn diep paarsrood of wit. Aan de bloemstelen zitten steelblaadjes.

Vruchten - Een vlezige schijnvrucht. De grote, hangende bottels zijn iets afgeplat, oranjerood en met een kroontje van blijvende, opgerichte kelkbladen. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen op matig voedselarme tot voedselrijke, vaak kalkhoudende grond. De struik verdraagt zout (zand en stenige grond).

Groeiplaats - Zeeduinen, heggen, struwelen, bosranden, perken, bermen (langs autowegen en langs kanalen), stuifdijken en waterkanten (aan de basalten voet van IJsselmeerdijken).
Familie: Rosaceae
Groep: Vaatplanten
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: struwelen
© 2026  FLORON
Ga naar de volledige website