Canadese rus

Juncus canadensis


© Stef van Walsum

Ecologie & verspreiding
Canadese rus staat op zonnige, vochtige tot natte, matig voedselarme tot meestal matig voedselrijke, vaak periodiek onder water staande, zwak zure tot zure venige grond. Het betreft vaak licht verstoorde plekken die wel blijvend vochtig zijn. Ze groeit in moerassen en in vennen, op afgeplagde plekken op de heide en langs waterkanten van veenplassen en veenputten. De soort komt oorspronkelijk uit het oosten van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en is in Europa ingeburgerd in Nederland en België. In Nederland is haar voorkomen beperkt tot Noord-Brabant en ze is hier al enige tijd ingeburgerd. Hoe de soort in Europa terecht is gekomen blijft een raadsel hoewel verspreiding door vogels wordt geopperd. Deze vorm van verspreiding binnen België en Nederland is echter wel aannemelijk. Ze is goed te onderscheiden door het feit dat de stengel onder de bloeiwijze van tussenschotten voorzien is. Verder zijn de spitse bloemdekbladen, de 3 meeldraden en de zaadkenmerken heel karakteristiek.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,10-1,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - Bloeistengels met dwarsschotten (verdeeld in kamers).

Bladeren - De ronde, stengelachtige bladeren hebben geen doorboorde dwarsschotten.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Een bloeiwijze met schuin omhoog staande takken. Bloemhoofdjes met weinige tot tientallen bloemen. De bloemdekbladen zijn spits. De binnenste drie zijn iets langer dan de buitenste drie. Elke bloem heeft drie meeldraden.

Vruchten - Een doosvrucht. De spoelvormige zaden zijn 1-2 mm lang. Ze zijn naar de einden versmald en tot een witachtig aanhangsel verlengd. De buitenste zaadhuid zit vrij los om de rest van het zaad. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, vaak licht gestoorde plaatsen op natte, matig voedselarme tot meestal matig voedselrijke, zwak zure tot zure venige grond. Meestal op plekken met een wisselende waterstand, maar wel blijvend vochtig.

Groeiplaats - Waterkanten (langs veenplassen, veenputten en heidevennen) en heide (moerassen en afgeplagde heide).
Familie: Juncaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: laagvenen
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website