Appel

Malus sylvestris


© Theo Muusse

Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - april - mei

Hoogte - 2,00-10,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - Bij de wilde vorm eindigen de takken vaak in dorens. Takken met horizontale lenticellen.

Bladeren - De 3-5 cm lange bladeren zijn eirond, bijna rond tot elliptisch, zelden langwerpig, kort toegespitst, ongelijk fijn gezaagd (enkel of dubbel gezaagd), met een iets naar beneden omgerolde rand en van onderen met uitspringende zijnerven. Spoedig kaal wordend of van onderen behaard tot viltig. De steel is korter dan de bladschijf, meestal half zo lang als deze. De korte, 1½-3½ mm lange (soms tot 5 mm) steunblaadjes zijn priemvormig en vallen vroeg af.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De welriekende, grote (2-4 cm) bloemen zijn vijftallig (vijf kroonbladen en vijf kelkbladen) en staan meestal met weinig bijeen in vlakke, schermvormige trossen. Ze hebben witte tot roze kroonbladen en gele helmknoppen. De stijlen zijn aan de voet vergroeid. Het vruchtbeginsel is onderstandig. De kelkbladen zijn behaard, maar bij de wilde vorm verdwijnt dit snel. Bloemstelen met steelblaadjes.

Vruchten - Een pitvrucht. De appels van de wilde vorm zijn vrij rond en worden tot drie cm in doorsnee. Ze zijn geelgroen of soms rood, hard en wrang en vrijwel zonder steencellen. Cultuurvormen zijn veel groter en veel beter van smaak. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot half beschaduwde, warme plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, neutrale tot vaak kalkhoudende grond (leem, stenige grond en rivierzand).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen), bosranden, houtwallen, heggen, struwelen, verlaten boomgaarden, bermen, langs spoorwegen en waterkanten (langs sloten).
Familie: Rosaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: struwelen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website