Wigbladige roos

Rosa elliptica


© Jan Klinckenberg

Ecologie & verspreiding
Wigbladige roos (Rosa elliptica) behoort tot de Egelantiergroep (Rosa Subsec. Rubigineae). De groep laat zich herkennen aan een zeer sterk beklierd blad, dat bij wrijven naar appeltjes ruikt en dat kaal of licht behaard kan zijn. De bekliering is altijd opvallender dan de beharing. De kliertjes op de onderzijde van de blaadjes zijn kort gesteeld. De beharing is meestal duidelijker op de middennerf en spaarzamer op de rest van het blaadje. De maximaal 1 cm brede deelblaadjes hebben een wigvormige bladvoet en overlappen elkaar niet. Dit heeft de Wigbladige roos gemeen met de Kraagroos (Rosa agrestis) en Schijnkraagroos (Rosa x inodora). De andere rozen uit de Egelantiergroep hebben een brede, min of meer afgeronde bladvoet. 

De doorsnede van het stijlkanaal bedraagt 1,2 tot 2,0 mm. De wollig behaarde stijlen hebben de hoedvorm. Bloemkroon is roze tot dieproze. De bottelsteel is kaal of zwak beklierd en even lang als de bottel. Kelkbladen zijn na de bloei steil opgericht en blijven tot na de bottelrijping. De bladspil is wollig behaard en beklierd.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - -

Hoogte -

Geslachtsverdeling -

Wortels -

Stengels/takken - De takken staan rechtop. Met brede, haakvormig gekromde stekels, dus zonder naaldvormige stekels.

Bladeren - De bladeren zin vijf- of zeventallig. De maximaal 1 cm brede deelblaadjes hebben een wigvormige bladvoet en overlappen elkaar niet. Het blad is sterk beklierd en ruikt bij wrijven naar appeltjes. De bekliering is altijd opvallender dan de beharing. De kliertjes op de onderzijde van de blaadjes zijn kort gesteeld. De beharing is meestal duidelijker op de middennerf en spaarzamer op de rest van het blaadje.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zijn rozerood. De kelkbladen staan rechtop.

Vruchten - Een vlezige schijnvrucht. De doorsnede van het stijlkanaal bedraagt 1,2 tot 2,0 mm. De wollig behaarde stijlen hebben de hoedvorm. De bottelsteel is kaal of zwak beklierd en even lang als de bottel. Kelkbladen zijn na de bloei steil opgericht en blijven tot na de bottelrijping. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot half beschaduwde plaatsen op droge, kalkrijke grond.

Groeiplaats - Bosranden, (duin-)struwelen en heggen.
Familie: Rosaceae
Groep: Vaatplanten
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: struwelen
© 2026  FLORON
Ga naar de volledige website