a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z
kaart
Homarus americanus H. Milne Edwards, 1837

Amerikaanse zeekreeft
algemeen | beleid en bescherming | taxonomie

Typering: Mariene kreeftachtige. Kreeft.
Herkenning
Tot 640 mm (gewicht circa 4 kg maar soms tot 20 kg). Kleur: vaak blauwgroen, olijfgroen tot bruin, met zwarte en oranje tot rode vlekken, rode stekels en rode schaarknobbels, oranje of roodachtige scharen en meer groenachtige poten. De voelsprieten (antennen en antennulen) zijn vaak roodbruin, de ogen diep zwart. Het staartgedeelte is vaak lichter: geelbruin of oranjegroen. Er zijn ook andere kleuren bekend, waaronder (vrijwel) geheel blauwe, zwarte, gele en rode exemplaren, evenals albino exemplaren. Het rugschild (carapax) is langer dan breed en loopt aan de voorzijde uit in een puntig deel (rostrum). Op deze rostrumpunt staan stekelvormige uitsteeksels. Ook aan de onderzijde zit een stekel, hetgeen en onderscheidingskenmerk is met de Europese zeekreeft, waar deze stekel mist. Opzij van het rostrum liggen de op een oogsteel staande facetogen, gelegen in oogkassen. Het rugschild (carapax) is langer dan breed, ongeveer even lang of zelfs langer dan het verdere lijf. Het is in het midden gegroefd en loopt aan de voorzijde uit in een puntig deel (rostrum). De bovenzijde is relatief glad, hoogstens vrij fijn gekorreld (gegranuleerd). Aan de zijkanten van de rostrumpunt staan 2-5 (vaak 4) stekelvormige uitsteeksels. Naast het rostrum zitten de oogkassen, waarin op korte oogstelen de ogen met een donkere cornea staan. Er zijn twee soorten voelsprieten, de veel langere, uit zeer veel segmenten opgebouwde antennen, die als tastzintuig fungeren, en de gespleten kleinere antenulae, die vooral als reukzintuig dienst doen. De antennen zijn aanzienlijk langer dan het rugschild en bijna even lang als het totale lichaam. Naar het einde lopen ze uit in zeer dunne draadvormige punten. Aan het uiteinde van de eerste drie paar poten zitten scharen (chelae). Die van het tweede en derde potenpaar zijn, evenals de poten zelf, ongeveer even klein en dun als de laatste twee paar ongeschaarde loopoten. Het eerste paar schaarpoten is bijzonder fors en bijna even lang als de kop en het rugschild. Hiervan zijn de linker- en rechterschaar zeer groot en in vorm vaak verschillend. De rechter is meestal het grootst en zwaarst en heeft op de snijvlakken behalve fijnere knobbels ook grote stompe tanden. De linkerschaar is vaak wat kleiner en slanker, met op het snijvlak vooral veel kleine tanden. De rechterschaar wordt onder meer gebruikt om schelpdieren mee te kraken, de linker is meer geschikt voor 'snijwerk'. Het achterlijf bestaat uit zes langwerpige tot wat halfronde segmenten, die aan de uiteinden puntvormig zijn. Helemaal achteraan zit het staartdeel, dat aan iedere zijkant 2-3 grotere, afgeronde flappen (uropoda) heeft en in het midden een afgerond middelste staartdeel (telson). De staartdelen zijn aan de randen dicht bezet met vaak geelachtige borstelharen (setae). De staart kan als een waaier gespreid worden en is aanzienlijk breder breder dan het gesegmenteerde achterlijf. Achterlijf en staart kunnen krachtig naar beneden worden geslagen, waardoor de kreeft plotseling snel naar achteren kan schieten.
Te verwarren met:
De Europese zeekreeft Homarus gammarus. Er zijn meerdere verschillen. Tot de belangrijkste behoren: 1) Het rostrum van de Amerikaanse zeekreeft heeft aan de onderzijde minstens één stekel, deze ontbreekt bij H. gammarus. 2) De knobbels/stekels op de scharen van H. americanus zijn rood of hebben een rood uiteinde, terwijl deze bij de Europese Zeekreeft juist wit zijn. 3) De onderkant van de scharen van H. americanus is oranje of rood, bij H. gammarus is dit crèmewit of bleekroze. De verschillen met de enige andere relatief algemene grotere soort, de Noorse zeekreeft Nephrops norvegicus (Langoustine) zijn aanzienlijk. Deze blijft o.a. kleiner, heeft een overwegend geeloranje kleur, een duidelijk gesculptureerd rugschild, grotere ogen en slankere, langere scharen.