Taxonomie & herkenning
Alle oorzwammetjes zijn niervormige/oorvormige, kleine tot middelgrote paddenstoelen met licht- tot donkerbruine sporee. De steel is zijdelings en heel kort of afwezig; de hoedjes zijn zittend aangehecht. Ze groeien vaak in groepen, op dode plantendelen. Macroscopisch zijn deze kleine tot middelgrote, witte oorzwammetjes niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden. Nauwkeurige microscopische analyse is noodzakelijk, waaronder bekijken en meten van sporen bij x1000 (olie). Belangrijkste microscopische kenmerken zijn aan- of afwezigheid van gespen, vorm en grootte van sporen (sp) en van cheilocystiden (ch).1a. Gespen afwezig, sp groot, 8,5-12 x 5-6,5 µm, vrijwel glad tot gemarmerd, niet stekelig. Zeldzaam. ……………………………………..……. Grootsporig oz C. versutus
1b. Gespen aanwezig, sporen kleiner ………….…....……. 2 2a. Sp klein, nagenoeg cilindrisch, 5,5-6,5 x 3-4 µm, fijn gestekeld. Algemeen ……………… Wit oz C. variabilis 2b. Sporen groter, ellipsoid, breed ellipsoid tot bijna bolvormig, fijn gestekeld of gemarmerd …………..………. 3 3a. Sporen (sub)globose, breed ellipsoid, gestekeld, 6,5-9 x 5,5-7,5 µm ……………. Rondsporig oz C. cesatii* 3b. Sp ongestekeld, maar zwak ruw tot ruw ………..…. 4
4a. Sp zwak ruw, zwak/ matig gekleurde celwand, 6-9,5 x 4-6 µm, Q 1,3-1,7, ch (smal) (sub)clavaat, soms aan top vertakt. Algemeen ……………...…. Bleek oz C. caspari 4b. Sp ruw met gekleurde celwand, 7,5-10 x 4,5-6 µm, Q 1,3-1,8, ch flesvormig, buikig met lange, slanke hals, onvertakt. Zeldzaam . Ruwsporig oz C. subverrucisporus — Crepidotus villosus ontbreekt, zie onder die soort. *) Onderscheid varieteiten, zie aldaar
Andere witte of bleke soorten die wit of zeer bleek zijn en (kunnen) lijken op C. variabilis sl: C. epibryus: kleine witte hoedjes, hyfen zonder gespen. Smal fusiforme, gladde, bleke sp 6,5-9,5 x 2,5-3,5 µm, Q 2,1-3,2. Algemeen. C. luteolus: de gele kleur is lang niet altijd duidelijk, volgroeide ex. zijn veelal witachtig, soms zijdelings steeltje zichtbaar dat naar de basis smaller wordt. Sp fusiform, 8-11 x 4-6 µm, Q ≈1,9. Gespen +. Alg. C. applanatus: jong krijtwit, crème-wit. Kenmerkend zijn de sterk hygrofane hoed en bolronde/ breed ellipsoïde sp 5-7,5 x 5-7 µm, Q 1-1,2, met stekels die nagenoeg cylindrisch zijn, met recht afgeknotte top waardoor sporen ‘n 2-lagige wand lijken te hebben. Vz. C. autochthonus: op de grond of op zeer rot hout. Sp 7-8,5(-9) x 5-6 µm met Q 1,3-1,7, ellipsoid, amandelvormig/ citroenvormig, glad. Zeer zeldzaam.
AnnaElise Jansen, 2026 CC-BY-SA 3.0
|