Taxonomie & herkenning
Alle oorzwammetjes zijn niervormige/oorvormige, kleine tot middelgrote paddenstoelen met licht- tot donkerbruine sporee. De steel is zijdelings en heel kort of afwezig; de hoedjes zijn zittend aangehecht. Ze groeien vaak in groepen op dode plantendelen. Het Bruinroze oorzwammetje C. brunneoroseus is een klein tot middelgroot, rozeachtig bruin oorzwammetje, met hoeden tot 25 mm. Het hoedoppervlak is wat vezelig. Van onderaf gezien is de hoed rond tot niervormig, van de zijkant gezien zijn de hoeden campanulaat hangend tot convex of planoconvex. Gelatineuze laag afwezig. De kleur van de lamellen schijnt niet erg constant te zijn en varieert van duidelijk geel tot bleek vleeskleurig en kaneelkleurig. Er zijn duidelijke microscopische kenmerken. De sporen zijn 5,5-6,8 x 4,4-5,3 µm, Q = 1,19-1,39, breed ellipsoid tot ellipsoid, soms amandelvormig, ruw. Cheilocystiden 38-73 x 8,3-13 µm, smal clavaat, smal utriform, soms met uitgroeisels aan de top. Hyfen van hoedhuid met incrustaties. Gespen aanwezig. Crepidotus brunneoroseus kan zowel 4- als 2-sporige basidia hebben. Senn-Irlet & Krieglsteiner (1996) beschouwen dat als omgevingsinvloeden. In hoedvorm kan C. brunneoroseus wat op C. crocophyllus lijken, maar die is groter, heeft een meer schubbige hoed en duidelijk andere sporen. C. brunneoroseus is wel macroscopisch te herkennen, maar door verwisselingsmogelijkheden met C.crocophyllus en, van zeer kleine exemplaren, ook met C. roseoornatus, is een microscopische check vereist.
AnnaElise Jansen, 2026 CC-BY-SA 3.0
|