Taxonomie & herkenning
Alle oorzwammetjes zijn tongvormige tot niervormige of oorvormige, kleine tot middelgrote paddenstoelen met licht- tot donkerbruine sporee. De steel is zijdelings en heel kort of afwezig; de hoedjes zijn dan zittend aangehecht. Ze groeien vaak in groepen, op dode plantendelen. Het Klein oorzwammetje, Crepidotus epibryus, heeft witte hoedjes van 3-10 mm en is daarmee het kleinste oorzwammetje in Nederland. Van onderaf gezien is de hoed niervormig (oorvormig), breder dan lang en zijdelings aangehecht aan het substraat. De steel is zijdelings, zeer kort en is bij uitgegroeide hoedjes niet meer zichtbaar. Vanaf de zijkant gezien is de hoed tamelijk vlak (planoconvex). De sporee is heel lichtbruin, de lamellen zijn blijvend wit of nagenoeg wit. Macroscopische identificatie is niet met zekerheid mogelijk, microscopische controle is altijd nodig. De belangrijkste microscopische kenmerken zijn de afwezigheid van gespen en de smal fusiforme, gladde, bleke sporen van 6,5-9,5 x 2,5-3,5 µm met een Q-waarde van 2,1-3,2. De sporen kunnen iets gekromd zijn. Aan de microscopische kenmerken is C. epibryus gemakkelijk te herkennen. Toch heeft deze soort in het verleden veel namen gekregen, waaronder Pleurotellus herbarum, P. hypnophilus en P. graminicola.
AnnaElise Jansen, 2026 CC-BY-SA 3.0
|