Taxonomie & herkenning
Alle oorzwammetjes zijn tongvormige tot niervormige of oorvormige, kleine tot middelgrote paddenstoelen met licht- tot donkerbruine sporee. De steel is zijdelings en heel kort of afwezig; de hoedjes zijn dan zittend aangehecht. Ze groeien vaak in groepen, op dode plantendelen. Het Grootsporig oorzwammetje, Crepidotus versutus, is een vrij klein, wit oorzwammetje, met hoeden van 10-20 mm groot. Het maakt onderdeel uit van de groep ‘Crepidotus variabilis s.l.’, de soorten in deze groep zijn macroscopisch niet van elkaar te onderscheiden. Van onderaf gezien is de hoed ongeveer cirkelvormig tot niervormig, met gave, niet of nauwelijks gelobde rand, die iets ingerold is. De steel is zijdelings, zeer kort en doorgaans niet meer waarneembaar. Van de zijkant gezien is de hoed jong campanulaat hangend, later convex tot planoconvex. Er is geen gelatineuze laag in de hoed. De sporee is bruinachtig. De belangrijkste microscopische kenmerken zijn de afwezigheid van gespen en de grote, ellipsoïde of iets amandelvormige, gemarmerde tot bijna gladde sporen van 8,5-12 x 5-6,5 µm met een Q-waarde van 1,6-2,1. De cheilocystiden meten 25-75(-85) x 5-9 µm en zijn cylindrisch tot zeer smal flesvormig, golvend, vaak gesepteerd, zelden kort vertakt.
Er bestaat taxonomische verwarring met C. pubescens; die naam is door auteurs verschillend gebruikt voor C. luteolus, C. epibryus en ook voor C. versutus. Het blijft daarom een kwestie van goed determineren.
AnnaElise Jansen, 2026 CC-BY-SA 3.0
|